|

Door voor ons te sterven, heeft Hij ons gereinigd en al onze
zonden uitgewist. Daarna is Hij naast de Almachtige God, Die
in de hemelen is. Zo is Hij groter en belangrijker geworden
dan de engelen, wat ook blijkt uit de prachtige naam die
Zijn Vader Hem heeft gegeven: Zoon van God. (Hebreeën 1:
3-4) God zond de Here Jezus in de wereld, opdat wij door Hem
het eeuwige leven zouden kunnen verkrijgen. Want God heeft
zoveel liefde voor de wereld, dat Hij Zijn enige Zoon heeft
gegeven; zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat
maar eeuwig leven heeft. God heeft Zijn Zoon niet naar de
wereld gestuurd om de wereld te veroordelen, maar om haar
van de ondergang te redden. (Johannes 3:16-17)


De Here Jezus werd als een mensenkind geboren uit de Joodse
maagd Maria. De engel Gabriel werd door God gezonden tot de
maagd Maria. en zei tot haar: '...gij zult bevrucht worden,
en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.' (Lucas
1:26,27,30,31) De Here Jezus werd verwekt door God, de
Heilige Geest. Toen Zijn moeder Maria met Jozef verloofd was
-en dus nog niet met hem samenwoonde- bleek zij in
verwachting te zijn door de Heilige Geest. (Mattheüs 1:18b)
 


De wereld was niet in feestvreugde toen de Here Jezus
geboren werd, want de Here Jezus werd geboren in een kleine
plaats onder heel armoedige omstandigheden. Toen zij in in
Bethlehem waren, moest Maria bevallen. Zij bracht haar
eerste kind ter wereld, een jongen. Zij wikkelde Hem in
doeken en legde Hem in een voerbak, want in de herberg van
het dorp hadden Jozef en Maria geen onderdak kunnen vinden.
(Lucas 2: 6b, 7) Hem werd Hem de naam Jezus gegeven, omdat
de naam Jezus betekent: God redt, Verlosser. De Here Jezus
is gekomen om Zijn volk te verlossen van hun zonden.

De Here Jezus ging door het land Israël, onderwijzend,
predikend, zieken genezend, duivelen uitwerpend, zonden
vergevend en helpend degenen die in nood waren.




Jezus ging alle steden en dorpen van dat gebied langs en
sprak in de synagogen. Overal vertelde Hij de blijde
boodschap van het Koninkrijk. Waar Hij ook kwam, genas Hij
alle ziekten en kwalen. (Mattheüs 9:35)


Ook joeg Hij uit vele mensen boze geesten weg. Die
schreeuwden dan: 'U bent de Zoon van God!'. (Lucas 4:41a) De
meeste mensen waren verbaasd en velen geloofden in Hem.
Velen geloofden in Hem en zeiden: 'Zou de Christus nog meer
wonderen kunnen doen dan deze Man?'. (Johannes 7:31). Niet
iedereen die zijn wonderen zag en Hem hoorde spreken
geloofde in de Here Jezus, want, de Here Jezus werd
verworpen door de Joodse leiders, die afgunstig waren.

Zij gaven de Here Jezus over aan de Romeinse stadhouder
om gedood te worden. Vroeg in de morgen kwam de Hoge Raad
weer bijeen om te bespreken hoe de Romeinse overheid
overgehaald kon worden Jezus ter dood te brengen. Na afloop
van de vergadering stuurden zij Hem geboeid naar Pilatus, de
Romeinse gouverneur. (Mattheüs 27:1,2) Pilatus wist wel dat
de Joodse leiders Jezus uit jaloezie hadden laten
arresteren. (Mattheüs 27:18)
De Here Jezus werd bespot en gemarteld door Romeinse
soldaten en daarna ter dood gebracht aan een kruis buiten de
stad Jeruzalem. Zij namen Hem mee naar de binnenplaats van
de burcht en riepen het hele bataljon bijeen. Zij deden Hem
een rode mantel om, zetten Hem een kroon van doornige
twijgen op, salueerden en riepen: 'Lang leve de koning van
de Joden!' Daarna sloegen zij Hem met een stok op het hoofd
en spuugden naar Hem. Zij deden net of zij Hem vereerden
door voor Hem op de knieën te vallen. Nadat zij Hem bespot
hadden, deden de soldaten Hem de rode mantel af, trokken Hem
Zijn eigen kleren weer aan en brachten Hem weg om gekruisigd
te worden. (Markus 15:16-20).

De Here Jezus werd niet gekruisigd omdat Hij iets
verkeerds gedaan had, want Hij leefde een absoluut volmaakt
leven. Hij deed geen kwaad en zei nooit iets wat niet waar
was. Als Hij beledigd werd, zei Hij niets lelijks terug. Als
de mensen Hem pijn deden, dreigde Hij niet het hun betaald
te zetten. Hij liet het allemaal over aan God die
rechtvaardig oordeelt. (1 Petrus 2:22, 23) Nadat Hij
gestorven was werd het lichaam van de Here Jezus werd
liefdevol begraven door een rijke man, Jozef. Jozef nam het
lichaam en wikkelde het in nieuw, schoon linnen. Daarna
legde hij het in een nieuw graf dat hij pas in de rotsen had
laten uithakken. Hij rolde een grote steen voor de ingang en
ging weg. (Mattheüs 27:59, 60) Maar het lichaam van de Here
Jezus bleef niet in het graf, na drie dagen is de Here Jezus
weer opgestaan. God, Die het voorzag, heeft Hem uit de greep
van de dood bevrijd en weer levend gemaakt. De dood kon Hem
niet vasthouden. (Handelingen 2:24)
Nadat Hij uit het graf was opgestaan bleef de Here Jezus
veertig dagen op aarde om Zijn discipelen te laten zien dat
Hij leefde. Gedurende de veertig dagen na Zijn kruisiging is
Hij van tijd tot tijd bij de apostelen geweest en bewees hun
op allerlei manieren dat Hij het echt Zelf was. Telkens weer
sprak Hij met hen over het Koninkrijk van God. (Handelingen
1:3)

Na die veertig dagen ging de Here Jezus ging terug naar
de hemel, waar hij nu heerst over alles in de hemel en op
aarde. Jezus nam hen mee naar Bethanië. Hij hief Zijn handen
op en zegende hen. Terwijl Hij dat deed werd Hij opgenomen
in de hemel. (Lucas 24:50-51) Christus is uit de dood
teruggekomen om de belangrijkste plaats naast God in te
nemen. Nu is Hij hoog verheven boven elk gezag, elke macht,
kracht en regering, boven alles waarvoor men respect heeft;
niet alleen in deze wereld, maar ook in de wereld die komt.
(Efeze 1:20b, 21a) Op dit moment bidt de Here Jezus voor
degene die Hem toebehoren en bereidt een plaats voor hen.
Christus is het heiligdom binnengegaan om in onze plaats
voor God te verschijnen. (Hebreeën 9:24a) Jezus zei: 'Waar
Mijn Vader woont, zijn vele woningen. Als dat niet zo was,
zou Ik het u wel gezegd hebben. Ik ga er nu heen om alles
voor u in orde te maken.' (Johannes 14:2)

Maar de Here Jezus blijft niet in de hemel, eenmaal zal
Hij terugkomen op aarde en zal degene die Hem toebehoren tot
Zich nemen. Jezus zei: 'Wanneer Ik daarmee klaar ben, kom Ik
terug om u op te halen. Dan mag u voor altijd bij Mij zijn.'
(Johannes 14:3)
|